 De initiatiefnemer van de oprichting was de jonge student Frédéric Ozanam. Samen met zes medestudenten legde hij de grondslag voor de Vereniging. Van meet af aan stond deze eerste groep voor ogen, dat zij in de zorg voor de naaste vooral moest opkomen voor mensen in problemen en dat zij tevens de strijd diende aan te binden tegen de oorzaken van menselijk leed. Binnen het bestek van 10 jaar had de Vincentiusvereniging voet aan de grond gekregen in andere Europese landen als Italië, Spanje, Portugal, Duitsland, Ierland en België. Nederland kwam in het tweede echelon van de internationale verspreiding van de Vincentiusvereniging terecht. In 1846 werd in Den Haag de eerste Vincentiusconferentie in Nederland opgericht. In 1849 werd door de Vincentiusvereniging de eerste Katholieke school van boven de grote rivieren gesticht. Hiermee is de nog steeds bestaande Carolusschool - gelegen aan het Westeinde - tevens de oudste bijzondere basisschool van Den Haag. Intussen bestaat de vereniging in nagenoeg alle Europese landen. Na Europa werd de vereniging 'geëxporteerd' naar andere continenten: Latijns-Amerika, Canada, de Verenigde Staten, Azië, Oceanië en Afrika. Nu, ruim anderhalve eeuw later, is de Vincentiusvereniging actief in 132 landen met een ledental van bijna 1 miljoen vrouwen, mannen en jongeren. Met name de ontwikkeling van de vereniging in het zuidelijk halfrond is zeer voorspoedig verlopen en gaat nog steeds voort.
Achtergrondinformatie (uit onderzoek Provinciaal onderzoeksbureau Noord Brandant) In Nederland leven naar schatting ruim 360.000 schoolgaande kinderen onder de armoedegrens. In een klas van dertig leerlingen zijn dat er gemiddeld vier tot zes. Voor steeds meer kinderen en jongeren tussen 4 en 18 jaar is het niet meer mogelijk om mee te doen met een schoolkamp, werkweek, excursies, sportclub of kunstzinnige vorming. Ook de uitgaven voor schoolmaterialen, schoolboeken en de vrijwillige ouderbijdrage vormen een steeds groter probleem. De Stichting Leergeld wil deze kinderen toch een kans geven, door hun ouders praktisch te steunen en financieel te helpen. In 1996 werd in Tilburg de eerste Stichting Leergeld door particulieren opgericht. Aanleiding waren de alarmerende ervaringen van de plaatselijke Vincentius Vereniging, die zich inzette om gezinnen met een minimumuitkering met praktische hulp te ondersteunen. Signalen dat kinderen uit deze gezinnen dikwijls niet meededen aan activiteiten op en rond de school bleken door een onderzoek van het Provinciaal Onderzoeksbureau Noord-Brabant (PON) te worden bevestigd. Vanuit de huiskamer is toen een groep vrijwilligers actief geworden om daadwerkelijke hulp te gaan organiseren. Minimagezinnen werden thuis bezocht door ervaringsdeskundigen. Deze mensen waren uit de doelgroep afkomstig en spraken zo dezelfde taal en konden op onderling respect rekenen. Deze aanpak werkte laagdrempelig, efficiënt en voorkwam een nieuwe loketfunctie. Het accent wat betreft organisatie en fondsenwerving lag op de plaatselijke situatie, ‘local-for-local’. Dit werd de belangrijkste pijler van de succesvolle Leergeldformule, die inmiddels door zeventien lokale stichtingen in ons land in praktijk wordt gebracht.’ Funest ‘Sociale uitsluiting als gevolg van armoede op jonge leeftijd is funest voor onze samenleving’. Deze uitsluiting heeft zonder meer gevolgen voor de toekomst. Deze kinderen zijn vaak op en rond school verstoken van een sociaal maatschappelijk leven met hun klasgenootjes. Zij kunnen daardoor geïsoleerd en gefrustreerd raken. Een samenleving die deze noden niet wil zien, moet niet verwachten, dat deze kinderen nu en later respect tonen voor die maatschappij’ De missie van Leergeld is kort en duidelijk: ‘Geef kinderen een kans!’ Door kinderen wel te laten ‘meedoen’, wordt hun horizon verbreed. Zij maken makkelijker sociale contacten, leren zich te handhaven in een groep, leren winnen en verliezen en hun talenten verder te ontwikkelen. Als kinderen worden buitengesloten komen niet alleen zij ernstig te kort, maar zal de maatschappij daar later ‘leergeld’ voor betalen. Sport Uitgangspunt voor Leergeld is dat kinderen minimaal aan één activiteit buiten school moeten kunnen meedoen. Als vanuit de gemeente deze uitgave slechts gedeeltelijk wordt vergoed, blijken veel ouders hier geen aanspraak op te willen maken, omdat onder meer de eigen bijdrage toch nog te hoog is. Van de Camp: ‘Uit onderzoek van het NIBUD blijkt, dat ouders met een bijstandsuitkering in feite een structureel tekort hebben. Hier trachten wij dan de helpende hand te bieden. Onze hulp richt zich op een analyse van de betreffende hulpvraag, verwijzing en hulp met betrekking tot niet-gebruikte wettelijke regelingen, voorliggende gemeentelijke voorzieningen, zoals aanvullende bijstand. Ook wordt gekeken naar subsidies met betrekking tot sport en ontspanning en regelingen van de Informatie Beheergroep Groningen, zoals een tegemoetkoming in de studiekosten. Dan pas kan er sprake zijn van een aanvullende subsidie door Leergeld in de vorm van een renteloos voorschot, een renteloze lening, een gift of in natura. Veel kinderen hebben op deze wijze de beschikking gekregen over een eigen computer of een lidmaatschap van een sportclub of ze kunnen meedoen aan het overblijven, de werkweek of het kindervakantiewerk.’ Samenwerken met maatschappelijke instellingen en scholen is voor Leergeld essentieel om haar doel te bereiken. In deze tijd hebben sociale diensten, maar ook scholen het moeilijk door krimpende middelen. Het dient geen afschuifsysteem te worden. Voor meer informatie zie ook de site van : Leergeld Nederland |